a-woord,
1)
Aids. Voor meer van dergelijke
‘gelegenheidseufemismen’, kijk onder F-woord*. In het Nederlands zijn er niet
zo veel eufemismen voor Aids in omloop. In de beginjaren had men het vaak
smalend over flikkerkanker. Dat is echter geen eufemisme maar een dysfemisme.
Soms heeft men het over de gevreesde* ziekte, een uitdrukking die eigenlijk
eerder van toepassing is op kanker (ook wel k*). De laatste tijd duikt de term
Grote* Ziekte op, als vertaling van het Engelse begrip ‘the Big Disease’. In
het Engelse taalgebied zijn er wel meerdere eufemismen voor Aids in omloop. De
oorzaak en het resultaat van deze vreselijke ziekte zien we weerspiegeld in de
benaming ‘the devil disease’.
Eén van de theoriën over de oorsprong van deze ziekte was dat ze zou verspreid
zijn door groene apen. Deze theorie ligt aan de grondslag van de benaming Green
Monkey Disease. 'SLIM' (Mager) noemden Oegandezen begin jaren tachtig de nieuwe
kwaal. SLIM is een term die de uitmergeling van de slachtoffers of PWA’s (=
people with Aids) moet omschrijven. Oegandezen zeggen van iemand die aan Aids
overleden is ook wel eens dat hij of zij geveld werd door ‘tuberculose’. Dat
klinkt nl. iets vriendelijker. Een acroniem is WOGS: Wrath of God Syndrome,
waarbij de ziekte wordt gezien als een straf van God voor de homoseksuelen. Ook
de benaming ‘Gay Plague’ lijkt de homoseksuelen te willen stigmatiseren. Even
onjuist is het acroniem GRID (Gay Related Immunity Deficiency): Aids wordt
toegeschreven aan een homoseksuele levenswijze. Toen de bekende popzanger
Freddie Mercury in 1993 overleed aan de gevolgen van Aids schreef men dit in
sommige media toe aan ‘the American disease’. Bijna een decennium later is Aids
nog steeds zwaar taboe. Op de meeste begrafenissen van slachtoffers valt het
woord nog altijd niet, uit schrik voor de reactie. Het woord verwijst nog te
zeer naar iemands (homoseksuele) geschiedenis. Rond termen zoals ‘aidslijder’
hangt bovendien nog altijd het aureool van viezerik.
De arts sprak over bloed, de verslaggever haakte er hongerig
op in en sprak het a-woord uit. 'Er is dus kans op besmetting met aids?'
'Natuurlijk' zei de arts. 'En op hepatitus b en andere via het bloed
overdraagbare ziekten.' (Het Parool
22-4-1996)
2)
armoede. Nog steeds een taboe want veel
mensen schamen zich voor het feit dat ze aan de grond zitten. Niemand geeft
graag toe dat hij weinig geld heeft en dus afhankelijk is van anderen. Armoede
is dan ook een rijke inspiratiebron voor allerlei eufemismen. Zie bijvoorbeeld
gezinskrediet*; ome* Jan; achter de schuine* deur en minima*.
Daar moest een eind aan komen, vond de
politiek al tien jaar geleden. Wat de Tweede Kamer betrof moest de uit 1893
stammende Faillissementswet gewijzigd worden om de schuldsanering van
'natuurlijke personen' te regelen. Maar waar armoede nu een hot item is, was
het politici tot voor kort zowat verboden het 'A-woord' in de mond te nemen. En
dat is lastig als je wilt motiveren waarom een wet tegen schuldproblemen
noodzakelijk is. (NRC Handelsblad van
13/12/1997 )
3)
allochtoon*. Ooit een eufemisme voor een
gekleurde immigrant maar tegenwoordig met de nodige reserves te gebruiken. Er
rust nog steeds een zwaar taboe op rassendiscriminatie. Eufemismen zijn
doorgaans vaag. Wie duidelijkheid nastreeft loopt het risico zware kritiek te
krijgen uit de anti-racistische hoek.
Op zichzelf is het niet erg allochtoon te worden genoemd,
maar door het negatieve nieuws is de neutrale term stigmatiserend geworden,
zegt Palaz. Je praat op een feest over koetjes en kalfjes, het a-woord valt en
er ontstaat direct spanning. (de
Volkskrant van 20/03/1999)
4)
Alzheimer*, een ziekte die nog erg in de
taboesfeer zit. Bekende strategieën om een ziekte of kwaal niet bij naam te
hoeven noemen zijn bijvoorbeeld de afkorting (zie k* en tbc*), een vage
omschrijving (gevreesde* ziekte; gave* Gods, nieuwgroei* enz.) of het opteren
voor een vreemd woord (carcinoom*). De laatste jaren wordt een uit Amerika
overgewaaide tactiek erg populair, vooral dan in de pers: het koppelen van de
eerste letter van de ziekte of het taboebegrip met ‘woord’. Zo doken er in de
jaren negentig plots allerlei x-woorden op. Voor meer uitleg zie f-woord*.
Wat er met mijn vrouw aan de hand was, drong langzaam tot ons door en eigenlijk durfden we het A-woord niet te noemen. Ook de neuroloog waar mijn vrouw onder behandeling was, kon niet met zekerheid zeggen of zij de ziekte van Alzheimer had. (Op de Hoogte 8 - oktober 1997, webpagina)
aalkorf,
eigenlijk een korf waarin paling werd bewaard
maar in de 17de eeuw een eufemisme voor achterste; soms ook voor de
vagina. In de oudnederlandse klucht ‘Jan Saly’ werd er ook een wijde broek mee
aangeduid, een ironische verwijzing naar de mannelijkheid. Destijds sprak men
ook over een ‘eierkorf’. Vondel gebruikte het synoniem ‘broodkorf’. Al deze
betekenissen zijn verouderd.
Sy
vil op haer neus, soo datmer Ael-korf bloot sach. (Bredero: Moortje. De werken
van - . 1885–1890)
aan
mijn hoela, ammehoela,
daar denk ik niet aan; geen sprake van! Daar
geloof ik niets van! Uitroep van ongeloof of afkeuring, waarbij ‘hoela’ een
eufemisme is voor reet. Wanneer men zijn onenigheid met iemand wil kenbaar
maken zonder direct op gevoelige tenen te trappen, kan men best al te platte
tegenwerpingen zoals ‘lik mijn reet’, ‘kus mijn gat!’ enz. mijden. ‘Aan mijn
hoela’ is dan een acceptabele variant. Wordt ook wel verkort tot ‘ammehoela’.
In die zin werd de kreet vooral populair gemaakt door Jasperina De Jong tijdens
de voorstelling van ‘Sweet Charity’, een musical van Cy Coleman. De uitdrukking
ammehoela verwijst naar koning Amanoellah van Afghanistan (1892-1960), die in
de jaren twintig veel in het nieuws was en door zijn volk werd verjaagd. Vgl.
in het Frans: ‘mon oeil!’
Hij
woont, weet ik waar helemaal, buiten de stad. Ingenieur. Aan m'n hoela.
Zielepoot. (Mensje van Keulen: Van lieverlede. 1975)
Uit mijn mini-enquête bleek dat vooral vrouwen die op mannen vallen, hun
ouderwordend lichaam de schuld gaven van hun gebrek aan buitenechtelijk
initiatief. Ammehoela. (Opzij, 01/07/91)
Tranen? Ammehoela! Zenuwen! (Vrij Nederland, 20/03/99)
Niemand nam er aanstoot aan dat in een stuk van Tsjechov een aan lager wal
geraakte officier plots uithaalde met uitspraken als ‘aan mijn hoela’. (De
Standaard, 25/04/99)
Dat is zoiets als beweren dat de koloniale veroveringszucht niets met het
christendom te maken heeft en de socialistische terreur achter het toenmalige
Ijzeren Gordijn niets met het communisme. De leer is goed, alleen aan
uitvoering en interpretatie schort het. Welnu, aan m’n hoela! Het zijn gewoon
totalitaire ideologieën. (Elsevier, 01/01/2000)
aangeschoten
zijn,
een vriendelijk synoniem voor dronken zijn. Een
metafoor ontleend aan de jagerstaal. De eigenlijke betekenis is: gewond, maar
dan op zo’n wijze dat men nog kan lopen, zij het met moeite. Een dronkaard
loopt onzeker en waggelend. Synoniemen zijn o.a.: aangedaan (in Vlaanderen);
aangewit*.
De
man, een makelaar, was een beetje aangeschoten, maar voor de rest een
gemakkelijk mens. (Xaviera Hollander: De Happy Hooker. 1982)
Het is een warrig gesprek in een rumoerig café, en de al aardig aangeschoten
Manuela kan zich later amper herinneren waar het over ging. (Nieuwe Revu,
30/06/1999)
aangewit,
dronken. Het WNT vermeldt enkel dat het om een
aantekening gaat van A. Beets uit 1900 en dat het woord in deze betekenis in
gebruik was te Leiden. Endt (1974) wijst erop dat de eerste betekenis in feite
‘gek, niet goed bij ‘t hoofd’ is en pas in tweede instantie: lichtelijk
dronken. Ter verduidelijking wordt er nog aan toegevoegd: ‘verwijst naar het
schildersvak: pleksgewijs met witkalk aantippen’.