Uit het Parool, 09/01/1993:
Berenmarkt, gevallen engel, kangoeroes, pisflauw: u
begrijpt het al, we staan op de beursvloer. Poenjakken, rode kloten,
ezelenblaas, lege koeien: we bevinden ons in de Rotterdamse haven.
Chinees nieuwjaar, Lourdesbal: we staan achter de flipperkast. Knaaien,
knallen, knoepen, koken: we spelen in een popbandje.
Marc de Coster
verzamelde in het 'Woordenboek van jargon en slang' woorden uit
achttien verschillende groepstalen, alfabetisch van beursspeculanten
tot zendamateurs. Dat leverde een dik boek op van ruim 600 pagina's met
in totaal 8.000 lemma's. Die omschrijvingen zijn niet eerlijk verdeeld
onder de verschillende groepstalen. Het taalgebruik onder
flipperfanaten beslaat slechts 2 pagina's en is daarmee waarschijnlijk
uitputtend behandeld. Het jargon van politieagenten en rechercheurs
kreeg ruim dertig pagina's toebedeeld maar is natuurlijk bij lange na
niet volledig.
Wie naar hiaten op zoek
gaat, zal weinig moeite hebben ze te vinden. Om ons even bij de
journalistiek te houden, waar is bij voorbeeld de Page Three Girl, het
frisse topless meisje dat door het Britse boulevardblad The Sun voor
het eerst op 17 november 1970 op pagina 3 werd gezet en inmiddels een
instituut in de boulevardpers is geworden.
In zijn voorwoord houdt de auteur vele slagen om de arm. Zo schrijft
hij dat het boek vooral geen serieuze toon mocht aanslaan, en het
midden moest houden tussen informatie en vermaak. De Coster wilde een
essentiele maar beknopte gids maken om het jargon en het slang te
ontrafelen. Hij moest kiezen, schrijft hij, want anders zou het boek te
dik worden en te duur voor de groep lezers die men juist wilde
bereiken. Maar ruimtegebrek kan niet altijd een excuus zijn. Waarom de
Page Three Girl buiten het boek houden en bij voorbeeld wel gekozen
voor het niet erg gevleugeld geworden 'quotezak', volgens de
omschrijving een journalist of een politicus die zijn verslag of
toespraak doorspekt met citaten en aanhalingen van andere personen.
Onder jargon verstaat De Coster 'de gespecialiseerde taal verbonden aan
een beroep, sport, cultuur, interessegebied, organisatie en voor
niet-ingewijden zo goed als onverstaanbaar'. Slang wordt volgens De
Coster meestal door spot of scherts gevormd en daarmee wijkt het ook
duidelijk af van jargon dat veel minder kleurrijk is. De grens tussen
jargon en slang is echter niet scherp afgebakend.
Het grote voorbeeld voor De Coster is het in 1913 verschenen Handboek
der Nederlandse Taal waarin dr Jac. van Ginneken aandacht besteedde aan
een aantal Nederlandse vakjargons. De Coster, die eerder het
Wielerwoordenboek samenstelde, wilde met zijn woordenboek Van Ginnekens
werk voortzetten
De betrouwbaarheid van de omschrijvingen is moeilijk te meten. In zijn voorwoord geeft Marc de Coster
iets van zijn bronnen prijs. Behalve het lezen van vakliteratuur deed
hij ook een beroep op informanten, waaronder een rijkswachter en een
Delftse student. Voor wat betreft de prostitutieterminologie dankt hij
J. P. Verberen, voor diens 'veldwerk'.
Het jargon van beursspeculanten heb ik voorgelegd aan de
economieredactie van deze krant die geen echte uitglijders kon vinden.
Wel verbazing over het feit dat een term als 'pisflauw' om de stemming
van de beurs aan te geven wel is opgenomen en de veel vaker gebruikte
termen 'flauw' en 'vast' ontbreken. Voor een periode van stijgende
koersen gebruikt men op de beursvloer de Engelse term bullmarket, en
niet de vertaling stierenmarkt.
Ondanks
alle beperkingen, die ruiterlijk worden toegegeven, is het woordenboek
een leuke graasplaats voor woordfetisjisten. Veel lemma's zijn voorzien
van citaten en ook de anekdote wordt niet geschuwd. Aardig is om in het
register te kijken welke woorden in meerdere categorieen voorkomen. Aap
is populair. In junkietaal waar de uitdrukking 'een aap op je rug
hebben' synoniem is met verslaafd zijn. Voor een matroos is een aap een
driehoekig zeil, ook wel stormaap genoemd. Militairen betitelen
ingeblikt vlees vaak als ingeblikte aap, terwijl studenten het over een
leuke/foute aap hebben om een leuk/onsympathiek persoon mee aan te
duiden. Een sleuraap is in studententaal een klaploper.
Je kunt ook je eigen lijstjes aanleggen. Welke uitdrukkingen zijn
vernoemd naar personen. Uit de voetballerij komt het Beenhakkertje, een
Volendamse benaming voor een lange regenjas. Naar CDA-fractieleider
Bert de Vries is de Bert-norm genoemd, de begrenzing van de collectieve
uitgaven. Een Rittertje, is een verouderde journalistieke term voor een
moraliserend artikel in een krant. Genoemd naar de hoofdartikelen in
het Utrechts Dagblad van hoofdredacteur P. H. Ritter. In de tv-wereld
verbonden twee tv-persoonlijkheden hun uiterlijk aan een begrip. Met de
Sprekende Tosti wordt de immer gebronsde Hans van Willigenburg bedoeld,
met het Sprekend Kostuum zijn collega Fred Oster. De Coster schrijft de uitdrukking Kanaalzwemmen, het met de
afstandsbediening zappen langs tv-zenders, toe aan Het Parool. Dit
vleit ons, maar is niet juist. Toen wij met de rubriek Kanaalzwemmen
begonnen, ontleenden we de term aan een column van Kees van Kooten.
Ewoud Sanders in NRC Handelsblad, 24/04/1998:
Marc de Coster: Woordenboek van populaire uitdrukkingen, cliches, kreten en slogans. Sdu/Standaard uitgeverij, 556 blz. Ƒ 79,90
Op het nieuwste woordenboek van Marc de Coster,
het zojuist verschenen Woordenboek van populaire uitdrukkingen,
cliches, kreten en slogans, valt het nodige aan te merken. Zowel op de
keuze van de woorden en uitdrukkingen als op de uitwerking en
inrichting van de artikelen. Maar een waslijst van aanmerkingen zou het
boek geen recht doen, want het is een aardig en nuttig naslagwerk.
Dat komt in de eerste plaats omdat Marc de Coster
een ijverige lexicograaf is. Hij houdt de vakliteratuur goed bij en
zijn oren wijd open. Bovendien kan hij vlot schrijven (hoewel soms wat
slordig) en selecteert hij de vele bewijsplaatsen met smaak. Dit alles
maakt dat hij waardevolle en leuke woordenboeken samenstelt, die niet
altijd het succes krijgen dat ze verdienen. Zo had zijn Woordenboek van
jargon en slang, dat zes jaar geleden verscheen bij Bert Bakker, zeker
een tweede druk verdiend. Maar helaas pindakaas, om eens een
uitdrukking uit zijn laatste boek te gebruiken.
In deze pil van ruim 550 bladzijden presenteert De Coster een selectie
van informele uitdrukkingen. De nadruk ligt op slanguitdrukkingen,
modieuze zegswijzen, Bargoense uitdrukkingen, cliches, kreten (zoals
ammehoela) en slogans uit de tweede helft van de twintigste eeuw. Er is
ook materiaal uit de zeventiende en achttiende eeuw opgenomen, maar het
meeste is afkomstig uit de periode na 1850. Volledigheid heeft hij niet
nagestreefd en dat kan ook niet, want probeer bijvoorbeeld maar eens
alle Nederlandse cliches bij elkaar te zetten. Overigens is het
onderscheid tussen onder andere Bargoens en 'slang' moeilijk te maken.
De Coster doet wel een poging maar die overtuigt niet.
Wie dus vooral in dit soort taalkundige scherpslijperij is
geinteresseerd, heeft niet zo veel aan dit boek. Maar voor alle andere
liefhebbers van taal is het een goudmijn. Op elke bladzijde staan
verrassende en kleurrijke woorden en uitdrukkingen. De meeste zult u
tevergeefs in gewone woordenboeken zoeken. De toelichtingen zijn soms
summier, maar regelmatig kom je ook te weten wat de herkomst van een
uitdrukking is, en waar, sinds wanneer en door wie een en ander wordt
gebruikt. Ook geeft De Coster regelmatig buitenlandse tegenhangers. Zo
vermeldt hij bij aju paraplu onder andere see you later alligator, a
toute a l'heur, voltigeur en a bientot, mon oiseau.
Jammer vind ik dat De Coster zich heeft laten infecteren door het
lexico- grafenjargon. Terwijl de standaardwoordenboeken hier steeds
meer op terugkomen, gebruikt hij afkortingen en taalkundige termen als
pejoratief, 'metonymia' en affirmatief. De Coster heeft dat helemaal
niet nodig. Hij heeft een indrukwekkende klus geklaard en een prachtige
verzameling aangelegd.
Uit het Financieele Dagblad, 05/06/1998:
Een heel ander soort Nederlands is te vinden in het
Woordenboek van populaire uitdrukkingen, cliches, kreten en slogans,
een kostelijk boek dat het resultaat is van vele jaren nijver speurwerk
door Marc De Coster. Hier is geen plaats voor starre
normen en officiele regels, maar krijgen we een levendige kijk op de
achterkant van het Nederlands, de taal van de straat, de reclame en
allerlei subculturen. Veel van deze kleurrijke, plastische
uitdrukkingen werden tot voor kort door woordenboekensamenstellers
geweerd, omdat ze te plat en te onfatsoenlijk werden geacht.
Hoewel het hier in eerste instantie om spreektaal gaat, heeft De Coster
zich bij zijn onderzoek zoveel mogelijk gebaseerd op geschreven
bronnen. Ettelijke stapels romans, dichtwerken, liedjesteksten,
reclameblaadjes, stripverhalen en wat dies meer zij heeft hij
doorgenomen. Deze noeste arbeid is terug te vinden in de lemma's,
waarin iedere uitdrukking niet alleen uitvoerig wordt verklaard maar
ook met tal van voorbeelden wordt geillustreerd.
Behalve de talrijke verwijzingen bevat het boek ook een uitvoerig
register, waarin de uitdrukkingen naar diverse criteria zijn
gerangschikt. Er worden zo'n tweehonderd betekeniscomplexen
onderscheiden. Vooral dronkenschap, geslachtsgemeenschap en plassen en
poepen blijken belangrijke inspiratiebronnen die tot opmerkelijke
resultaten kunnen leiden.
Er is ook een
uitsplitsing gemaakt naar veertig groepen gebruikers, waarbij vooral
jongeren, soldaten, studenten en sporters hoog scoren. De managers zijn
volgens het register slechts vertegenwoordigd met een uitdrukking: een
aantal ballen tegelijk in de lucht houden. Daar dient volgens De
Costers eigen boek in elk geval aan te worden toegevoegd: een aap op
zijn rug hebben. Op pagina 19 staat dat deze aan Amerikaanse
druggebruikers ontleende uitdrukking tegenwoordig ook wordt gebruikt in
het bedrijfsleven als synoniem voor de zwartepiet die men iemand kan
toespelen.
Uit het Parool, 23/02/1999:
VEEL woorden zijn zo gewoon geworden dat je ze niet meer herkent als nieuwvormingen. Marc De Coster
rekent in zijn onlangs uitgekomen Woordenboek van neologismen ook
gelijkmaker, doelsaldo en gekte tot de taalaanwinsten van de laatste
vijfentwintig jaar. Gekte werd begin jaren tachtig door Wim T.
Schippers gemunt.
Soms krijgt een al
bestaand woord een nieuwe betekenis, zoals verbouwen (vernielen of
aftuigen) en achtertuin (Afghanistan als de achtertuin van Rusland).
Soms is er een koppeling van al twee bestaande woorden, zoals bij
klapschaats.
Aan het vrolijke weekblad
Donald Duck hebben we ook de nodige taalaanwinsten te danken. Dagobert
Duck als aanduiding voor een rijk persoon, maar ook Verweggistan (ook
wel Verweggie) als aanduiding voor een denkbeeldig, verafgelegen land
is aan de strips van Donald Duck ontleend. Brak eind jaren zestig,
begin zeventig jaren door in onze taal. Het topografisch verwante woord
Absurdistan is van recenter datum. Na de vlucht van Dutroux sprak de
Belgische oud-premier Mark Eyskens over Belgie als 'Absurdistan'.
Martin van Amerongen bezigde graag de uitdrukking 'bezuiden de
grenspaal Wuustwezel' als ironische aanduiding van iets ver
verwijderds. De wat snellere jongens van Nieuwe Revu hebben het liever
over Schubbekutteveen als ze een achterlijk gehucht willen aanduiden.
De wielerwereld is een bron waaraan Mart Smeets en Jean Nelissen zich
dankbaar laafden. Het was vooral door hun tv-verslagen van de Tour en
de wielerklassiekers dat in onze huiskamers wielertermen van Vlaamse
origine vertrouwd in de oren gingen klinken: een kwak uitdelen (tijdens
de sprint), afzien, goesting, meute (peloton), verdapperen (opvoeren
van tempo) en dokkeren (over de kasseien rijden).
Veel van de door De Coster verzamelde nieuwvormingen hebben zich stevig
in de taal genesteld en werden al door woordenboekredacties als echte
kinderen aangenomen. Dat realiseert De Coster zich ook en hij
rechtvaardigt zijn uitgave door als meerwaarde informatie over de
herkomst van de woorden, citaten en encyclopedische kennis op te nemen.
Bij bobo (afkorting van bondsbons) lezen we dat weliswaar Ruud Gullit
deze term populair maakte na het behalen van de Europese titel, maar
dat sportjournalist Joop Niezen het woord al tien jaar eerder in
Voetbal International gebruikte. Bij Chippendale staat dat deze
strippers naar de Disney-eekhoorntjes Chip and Dale (bij ons Knabbel en
Babbel) zijn genoemd: 'Het fenomeen werd in 1979 uitgevonden door de
Amerikaan Steve Banjeree, die een oude, verwaarloosde discotheek
omtoverde in 'Disneyland for Women'.'
Vooral ont-, ver- en op- zijn vruchtbare voorvoegsels voor neologismen.
De Coster geeft onder meer als voorbeelden: onthaasting, ontkokeren,
ontlezing, ontschotting (het slechten van ambtelijke barrieres),
verkokering, verpaarsing, opplussen (bijrekenen), ophypen, opluxen en
opleuken. De laatste term zou zijn bedacht door copywriter Eugene
Roorda en maakte opgang in de kolommen van de Haagse Post: 'Een niet zo
gelukt interview kun je nog opleuken, dat kan bij televisie niet.'
Naast opleuken heb je ook ontleuken. Opkankeren is wel, maar oplullen
is weer niet opgenomen, terwijl we een van de voetballende Boertjes
toch echt 'lul op' in het NOS-journaal hoorden zeggen. Misschien vond
De Coster het te particulier, maar dat geldt wel voor meer woorden in
het woordenboek. Opzoomeren verwijst naar de opknapbeurt in de
Rotterdamse Opzoomerstraat en werd een paar keer als werkwoord in de
media gebruikt, maar het is twijfelachtig dat het zal beklijven.
Nog nooit van gehoord, maar wel beeldend, is boemauto (naar het Engelse
boomcar): een auto met een ingebouwde zeer krachtige
geluidsinstallatie. Elsevier schreef in 1996: 'Boemauto's zijn
zelfvoorzienende gettoblasters waar je in kunt zitten.'
Woordenboek van neologismen, 25 jaar taalaanwinsten, door Marc De Coster, uitgeverij Contact
Uit Trouw, 06/03/1999:
Voor zijn 'Woordenboek van neologismen' (kloek, gebonden en dus prijzig) selecteerde Marc De Coster
zo'n 2000 woorden en uitdrukkingen die sinds ongeveer 1975 het
Nederlands zo niet verrijkt dan toch vermeerderd hebben: van afwerkplek
tot wurgcontract en van achteruitkachelen tot Zaans verhoren.
Veel ervan is al in andere woordenboeken geregistreerd, maar die bieden
niet wat De Coster de liefhebber voorschotelt: veel citaten uit boeken,
kranten en tijdschriften, inlichtingen over de woordgeschiedenis
(waarom is El Nino genoemd naar het kindeke Jezus?) en encyclopedische
informatie.
Eendagsvliegen waren niet
welkom; een woord moest twee jaar gangbaar zijn geweest om De Coster te
kunnen vermurwen. Daardoor is - om maar wat neologismen van enkele
jaren geleden te noemen - dooswoning, mesthuwelijk, schnabbelprof en
helaas ook zaplezen de toegang ontzegd.
Een enkele keer lijkt De Coster zich in de ouderdom van een woord te
vergissen. Pokke(n)herrie herinner ik me uit de jaren vijftig. Wika
(werker in kerkelijke arbeid) is nog ouder - en inmiddels verouderd.
Maar dat zijn kleinigheden.
Eindoordeel:
een leerzaam, leesbaar en onderhoudend overzicht, dat - met onder
andere emotietelevisie, erectiepil, flapchirurgie, flexwerk, meemoeder,
onthaasten en stadsnomade - treffend illustreert hoe de beschaving
voortschrijdt. Ook te waarderen valt dat het veel citaten uit Trouw
bevat.
Marc De Coster: Woordenboek van neologismen. Contact, Amsterdam/Antwerpen; geb., 726 blz. - ƒ 95.
Uit NRC Handelsblad, 26/03/1999:
De belangstelling voor nieuwe woorden in onze taal
dateert van het eind van de negentiende eeuw, maar pas sinds 1957 wordt
er serieus werk van gemaakt. Toen begon de redactie van de Winkler
Prins met het bijhouden van nieuwe woorden, die om de zoveel tijd
werden afgedrukt in de jaarboeken van deze gezaghebbende encyclopedie.
Pas in 1970 verscheen het eerste zelfstandige neologismenwoordenboekje,
spoedig gevolgd door andere. In Nederland was vooral Riemer Reinsma op
dit terrein actief, in Vlaanderen Maarten van Nierop. Vanaf het eind
van de jaren tachtig volgde een tweede golf, met boeken en boekjes van
onder meer Frank Jansen, Hubert Roza, Jan Kuitenbrouwer, P.G.J. van
Sterkenburg en Frans van Lier.
Hoe
verzamel je nieuwe woorden? Door goed te luisteren en vooral door veel
te lezen, ook in bronnen waar sommigen de neus voor ophalen, zoals
jeugdbladen, streekkranten en reclamefolders. Onder taalkundigen is de
laatste jaren veel te doen geweest over de vraag hoeveel nieuwe woorden
het Nederlands er nu jaarlijks bij krijgt. Volgens sommigen zijn dat er
zo'n driehonderd, anderen houden het op vijftienduizend. Zeker is dat
de manier waarop een en ander wordt gecontroleerd het afgelopen
decennium ingrijpend is gewijzigd. Vroeger greep men ter controle naar
een woordenboek, meestal naar de Grote Van Dale. Stond het daar niet
in, dan moest het wel een nieuw woord wezen (waarmee Van Dale trouwens
erg werd overschat, maar dit terzijde). Tegenwoordig kun je het
geboortejaar van een nieuw woord gemakkelijk nazoeken in gigantische
digitale krantenbestanden en op Internet. Voor neologismenjagers zijn
de uitkomsten vaak onthutsend: het grootste deel van hun verzameling
blijkt veel ouder te zijn dan ze hadden gedacht.
De ijverigste Vlaamse verzamelaar van nieuwe taal is Marc De Coster.
De afgelopen jaren heeft hij in hoog tempo verscheidene forse
woordenboeken samengesteld. Zo verscheen nog geen jaar geleden zijn
Woordenboek van populaire uitdrukkingen, cliches, kreten en slogans van
ruim 550 pagina's. Het zojuist verschenen Woordenboek van neologismen
telt 726 pagina's. Het heeft precies het formaat van een deel Van Dale
en is daarmee het dikste neologismenwoordenboek dat ooit in het
Nederlandse taalgebied is verschenen.
Staat er dan zo allemachtig veel in? Dat valt wel mee. De Coster
vermeldt tweeduizend woorden, uitdrukkingen en nieuwe betekenissen uit
grofweg de afgelopen dertig jaar. Aangezien de aanwas van onze taal in
die periode veel en veel groter was, moest hij streng selecteren. In de
inleiding schrijft De Coster dat hij eendagsvliegen, nonsenswoorden en
technische woorden heeft geschrapt. Om voor opname in aanmerking te
komen moest een woord meer dan een keer over een langere periode
voorkomen. Informeel taalgebruik kreeg voorrang, net als woorden die de
afgelopen jaren hun plaats in onze taal hebben bewezen. Dat klinkt
allemaal aannemelijk maar bladerend in het boek wordt al snel duidelijk
dat De Coster hier vooral zijn persoonlijke verzameling neologismen
presenteert, waarbij sterk de nadruk ligt op de nieuwe taal van de
afgelopen vijf a tien jaar.
De kracht van
dit boek is dat De Coster veel leest, dat hij zijn oren goed openhoudt
en dat hij een scherpe neus heeft voor nieuwe taalontwikkelingen. Het
is mooi dat hij woorden en uitdrukkingen vastlegt als 'te gek bezig
zijn', 'opleuken', 'ijskonijn', 'best wel', 'bekreunen' en 'het wel
kunnen schudden' (dan wel 'je kunt het wel shaken'). Leuk is ook dat
hij vaak encyclopedische en etymologische informatie geeft. Bij
'afzien', dat wil zeggen 'lijden, zwaar ploeteren' staat bijvoorbeeld
dat dit woord via de Vlaamse wielertaal in het Noord-Nederlands terecht
is gekomen. Het zou ook door Van Agt zijn verbreid, die vond dat
politici net als renners moesten kunnen afzien. Volgens De Coster zijn
de laatste jaren overigens opmerkelijk veel Vlaamse woorden tot het
Noord-Nederlands doorgedrongen. Hij noemt onder meer nog 'fietseling',
'gesco' 'onthaalmoeder' 'praatbarak' en 'witte woede.
Het boek heeft ook zwakke kanten. De Coster is erg scheutig met
bewijsplaatsen, dat wil zeggen met citaten uit kranten, boeken en
tijdschriften. Bewijsplaatsen kunnen nuttig zijn om te laten zien hoe
een woord wordt gebruikt, welke verbindingen het aangaat, in welke
sfeer of context het wordt gebruikt, enzovoorts. Maar bij de ingang
funshoppen/ funshopping telt de toelichting van De Coster slechts drie
regels; daarna volgen maar liefst acht citaten die gezamenlijk vijftig
regels in beslag nemen zonder dat ze echt veel toevoegen. Daarna volgt
bovendien nog het lemma funshopper, andermaal met een flink citaat. Het
is mooi dat De Coster al die citaten bij elkaar heeft gesprokkeld, maar
hij hoeft ze ons niet allemaal te laten zien. Het boek zou aan kracht
hebben gewonnen als hij een en ander voor ons zou interpreteren en
samenvatten. Zo is het ook helemaal niet nodig vele pagina's te vullen
met samenstellingen met bijvoorbeeld computer- of met vaste
verbindingen met electronic, elektronisch en elektronische.
Het vreet ruimte, al die bewijsplaatsen, ruimte die beter had kunnen
worden gebruikt om allerlei gaten te dichten, want het kost helemaal
geen moeite om honderden woorden en uitdrukkingen te noemen die
ontbreken. Ik vind de ondertitel '25 jaar taalaanwinsten' dan ook niet
gelukkig, want daarvoor is de selectie te willekeurig. Dat neemt niet
weg dat dit boek prachtig materiaal bevat. De Costers definities zijn
niet altijd even scherp, maar hij heeft een goede smaak, een vlotte pen
en zijn encyclopedische informatie is vaak erg leuk.
Marc De Coster: Woordenboek van neologismen. Contact, 726 blz. Ƒ95,-
Uit het Algemeen Dagblad, 31/12/2001:
'Cafebrand' op twee, 'nieuwjaarsbrand' op vier,
'rampcafe' op zes en 'nieuwjaarsramp' op zeven: ook uit de top-tien van
nieuwe Nederlandse woorden blijkt de impact van de brand in Volendam.
Alleen de veeziekte mond- en klauwzeer scoort nog beter, want
'MKZ-crisis' was het meestgebruikte nieuwe woord in 2001. De
terreuraanslagen in de Verenigde Staten en de oorlog in Afghanistan
waren te laat voor een prominente plek op de ranglijst. Alleen
'WTC-ramp' eindigde op de tiende plaats.
Een beeld krijgen van de nieuwe woorden die in een jaar in een
samenleving opduiken, is nog een hele operatie, legt Ton den Boon uit,
samensteller van het boekje Taal van het jaar een en hoofdredacteur van
de Grote Van Dale: Maak een lijst van alle woorden die het afgelopen
jaar in de belangrijkste dagbladen zijn voorgekomen. Trek daar alle
woorden vanaf die al in de Van Dale staan, inclusief hun meervouds- en
verkleiningsvormen en vervoegingen en verminder dat aantal nog eens met
de woorden die voor 31 december 2000 al in een krant opdoken.
Zo'n selectie levert een bloemlezing op van het grote nieuws van 2001.
Na de 'precisieterreur' op doelen in de VS waarvan 'superterrorist' Bin
Laden wordt verdacht, kwam de 'poederpost' (brieven met antrax). Een
gebied kon 'MKZ-gevoelig' zijn of 'MKZ-vrij' en in hamburgers en
frikadellen zit soms 'spuitvlees' (de laatste restjes vlees die met
hogedrukspuiten van de runderkarkassen worden gespoten).
Ook kleiner nieuws leverde mooie woorden op: Zo praatte men in
Nederland ineens over een 'flitsscheiding' (scheiding die in een dag
kan zijn geregeld), 'vluchttrombose' (trombose die zou ontstaan door
langdurig gebrek aan lichaamsbeweging tijdens lange vluchten), een
'pedokiller' (familielid van slachtoffer van kindermisbruik dat zich
wreekt op de dader), een 'troeteljunk' (Herman Brood) en een
'sms-bommetje' (methode van de politie om het stelen van gsm's te
ontmoedigen). Of deze woorden ooit de Grote Van Dale zullen halen, zal
de tijd uitwijzen.
'Liquidatiepolitiek',
het 2001-woord voor het beleid van Israel om tegenstanders uit te
schakelen die zelfmoordaanslagen organiseren of uitvoeren, zal in elk
geval nooit in het Woordenboek van eufemismen en politiek correct
taalgebruik worden opgenomen. De omschrijving ervan door Shimon Peres,
Israels minister van Buitenlandse Zaken, maakt wel een goede kans. Wat
Israel doet, is 'actieve verdediging' of 'onderschepping', vindt Peres
immers. Dat zal Marc de Coster, die een unieke
collectie van alle mogelijke vormen van verhullend en verzachtend
taalgebruik samenstelde, als bekend in de oren hebben geklonken.
De Coster's boek is een ware thermometer van de taboes in de
samenleving. Vooral voor dood, drank, seks, ontslag, homoseksualiteit
en menstruatie heeft hij de prachtigste verbloemingen gevonden.
Dat het gebruik van eufemismen en politiek correct taalgebruik ook erg
ingewikkeld kan worden blijkt al meteen uit het eerste woord. Als
iemand het in een gesprek heeft over 'het a-woord' moet je als
toehoorder wel uit de context halen of het nu over aids, armoede,
allochtonen of alzheimer gaat. Het woord 'anders' gebruiken blijkt
altijd goed te zijn. De Coster kwam in publicaties niet alleen de
'anders-actieve' (werkloze) tegen, maar ook de 'andersbegaafde'
(verstandelijk gehandicapte), de 'andersmaatschappelijke' (heeft moeite
zich te handhaven), de 'anderstalige' (migrant), de 'andersgeaarde'
(homoseksueel) en de 'andersvalide' (lichamelijk gehandicapt).
Marc de Coster:
Woordenboek van eufemismen en politiek correct taalgebruik. L.J. Veen,
480 blz, euro36,26. ISBN 9789020420449.
Uit het Parool, 28/02/2002:
Dat we nog niet in ons laatste eufemisme zijn gestikt,
bewees de RTL Nieuws-uitzending van eergisteren. Daarin werd aandacht
besteed aan de rechtszaak tegen vier inwoners uit Tilburg die een
Somalier zwaar hadden mishandeld en nadat hij zijn huis was ingevlucht,
daar brand hadden gesticht, waarbij de geestelijk gehandicapte man om
het leven was gekomen. In de rechtszaak werd gesproken over een ultieme
vlucht.
Gewapend met het door Marc de Coster
samengestelde Woordenboek van eufemismen en poltiek correct taalgebruik
kunnen we ook een duit in het zakje doen op het terrein van mildspraak,
zoals De Coster het zelf noemt. Hij verzamelde er zo'n tweeduizend, van
de zestiende tot het einde van de vorige eeuw.
In de wereld van de rechtspraak is het behelpen met eufemismen. De
juridische termen verhullen blijkbaar al genoeg. Voor een rijke oogst
aan taaldempers moet je zijn bij politici (politiek correct),
ambtenaren en militairen. Termen als zacht doelwit (Navo-jargon voor
vijandelijke troepen, soldaten, maar ook: mensen) en collateral damage
(bijkomende schade, een militair eufemisme voor burgerslachtoffers
tijdens een bombardement). Het is van alle tijden. Tijdens de Tweede
Wereldoorlog was bepoeieren luchtvaartslang voor het beschieten van de
vijand. De Coster geeft ter illustratie een citaat uit het boek Cis de
Man van Piet Bakker: 'Een jofel bunkertje, zeggen ze tevreden. Zal-ie
effe fijn weze om door dat gaatje die moffe te bepoeiere?'
Elk lemma krijgt een of meer citaten, wat het woordenboek zeer leesbaar
maakt. Bovendien vermeldt De Coster vaak ook de ontstaansgeschiedenis
van een eufemisme. Zo komen we te weten dat Henk van der Meyden de
vader is van het begrip liefdesbaby en dat Koot & Bie de
uitdrukking maatje pink (klein geschapen, om een ander eufemisme te
gebruiken) populair maakten. Het is te horen op hun elpee Hengstenbal
uit 1977. Nog in hetzelfde jaar werd de term opgenomen in de
Geillustreerde Encyclopedie van de Sexualiteit, met als synoniem antiek
hangertje (ook een allusie op impotentie).
Het seksuele taboe is altijd een rijke bron voor eufemismen geweest,
niet alleen in de preutse negentiende eeuw. We gebruiken ze nog steeds,
maar nu meestal schertsenderwijs. Het aantal eufemismen voor
menstruatie, masturberen en geslachtsgemeenschap is zeer uitgebreid, zo
is met een oogopslag te zien aan de stijllabels die De Coster achterin
zijn boek heeft opgenomen. In de regio Nijmegen schijnt voor
menstruatie de uitdrukking 'gerommel in het kippenhok' in zwang te
zijn. Voor 'de hand aan zichzelf slaan' zijn talrijke alternatieven
beschikbaar: de handkar duwen, voorhuidjogging, roeiepoetsen, en voor
degenen wie de blinde kaart van Groningen nog wat zegt:
Hoogezand-Sappemeer gaan. Hompiekurken is een uit de negentiende eeuw
stammende uitdrukking voor neuken. Het is een rijk terrein, met exoten
als van piepjanknor gaan en bezemen. Een historische is het beest met
de twee ruggen, al in de zestiende eeuw gebruikt.
Volgens De Coster zijn negentiende-eeuwse begraafplaatsen grote
schatplaatsen van eufemismen en zit ook de makelaardij niet verlegen om
eufemismen. Deze beroepsgroep doet graag aan upgrading: geschakelde
woning in plaats van rijtjeshuis en onderhoudsvrije tuin voor een
plaatsje dat volgestampt is met grindtegels.
Geheel in stijl draagt Marc de Coster zijn boek op aan zijn vriend Freek Dumarais, 'die geheel onverwacht en vroegtijdig groot verlof heeft genomen'.
Marc De Coster: Woordenboek van eufemismen en politiek correct taalgebruik. Het Taalfonds, Veen Euro 36,26
Uit het Friesch dagblad, 06/03/2002:
Iedereen maakt zich schuldig aan verhullend taalgebruik, aan spreken met meel in de mond. Vooral als we mensen niet voor het hoofd willen stoten, als we het hebben over gevaarlijke ziektes of als we niet als racist willen worden betiteld.
We gebruiken dagelijks eufemismen. Marc de Coster heeft ze op een rijtje gezet in een geweldig naslagwerk van 480 pagina’s, waarin het goed en langdurig toeven is.
Waarom hebben we het over een ,,individuele beleving van de werkelijkheid’’ als we bedoelen dat we iemand getikt (ook al een eufemisme voor ‘een gek’) vinden? De Vlaamse schrijver Marc de Coster geeft antwoord op deze vraag in zijn nieuwste werk Woordenboek van eufemismen en politiek correct taalgebruik. Meer dan 2000 heeft hij er verzameld.
De Coster is een kenner van woorden. Hij schreef eerder een woordenboek van jargon en slang , een wielerwoordenboek, een woordenboek van populaire uitdrukkingen, clichés, kreten en slogans en een woordenboek van neologismen. Zijn nieuwste werk geeft een onthullend beeld van de moderne maatschappij.
Jaren geleden werd een Amerikaanse hoogleraar aangeklaagd omdat hij in het openbaar het woord neger had gebruikt. Dat mag niet in de Verenigde Staten, want dan discrimineer je, vond de politiek-correcte bevolking van het universitaire wereldje.
Er was in het begin van de jaren negentig een beweging ontstaan die zich de politically correct-movement noemde. Ze had zich tot doel gesteld kwetsende, racistische woorden en woorden met een ongunstige betekenis uit te bannen en ze te vervangen door meer neutrale uitdrukkingen.
De doordrammerij van de Amerikaanse linkse elite had vreselijke gevolgen voor de taal. De meest verschrikkelijke uitdrukkingen werden gewrocht. Een neger werd Afro-Amerikaan of zonpersoon ( sunperson ). Iemand met een blanke huidskleur moest worden aangeduid met het onvertaalbare genetically oppressive. Een arme moest plotseling een ‘economisch uitgebuite’ worden genoemd, een verstandelijk gehandicapte een ‘mentaal uitgedaagde’.
Er werd kortom veel energie verspild aan het verzinnen van nieuwe namen die beter had kunnen worden gebruikt voor het verbeteren van de omstandigheden van armen en verstandelijk gehandicapten.
De Coster toont fijntjes aan dat we in Nederland en Vlaanderen maar beter niet kunnen gniffelen om de Amerikaanse praktijk. Wij kunnen er ook wat van, en bij ons is de politieke correctheid niet beperkt gebleven tot de academische wereld. De hele samenleving is ervan doordesemd, maar de fluwelen mondelinge handschoen komt het meest voor in de zorgsector en de politiek.
In de zorgsector gebruiken we eufemismen om een bepaalde gêne van ons af te zetten. In plaats van de ziekte kanker bij zijn naam te noemen, gebruiken we liever k of, in rouwadvertenties, de uitdrukking ‘slepende ziekte’. Mongolisme wordt het Downsyndroom, suïcide het eufemisme voor zelfdoding, dat ook al een zachte uitdrukking is voor zelfmoord.
Politici gebruiken eufemismen om onaangename mededelingen te vermommen. Je moet als bestuurder als het even kan het woord bezuinigen niet in de mond nemen. Je kunt het beter hebben over een ‘beleidsombuiging’, een ‘heroriëntatie’ of een ‘neerwaartse bijstelling’. Maar ook op andere terreinen hebben politici de taal vervuild met een schier onuitputtelijke lijst verhullende uitdrukkingen: grenshospitium (grensgevangenis voor asielzoekers), anders actieven (uitkeringstrekkers), arbeidsreserve (werklozen) en sociaal-gedepriveerden (asociale gezinnen). Allemaal nieuwe woorden, ontstaan omdat je in de politiek niemand voor het hoofd moet stoten als je carrière wilt maken of als je wilt voorkomen dat belastingbetalers in opstand komen.
Uit het boek van De Coster blijkt dat eufemismen ook veelvuldig voorkomen als vervanger voor ‘vieze woorden’ (eufemistische uitdrukking voor woorden die te maken hebben met seks, geslachtsdelen of lichamelijke afscheidingen). De schrijver heeft een interessante verzameling aangelegd, waarvan ik hier enkele citeer: andersgeaarden, van de verkeerde kant, van het handje (homoseksuelen); jongeheer (mannelijk geslachtsdeel); doos (vrouwelijk geslachtsdeel); avontuurtje, slippertje, uitstapje (overspel); handen wassen (naar het toilet gaan).
Eufemismen zijn volgens De Coster niet altijd vormen van schijnheiligheid of oneerlijkheid. Verbloemingen kunnen soms erg praktisch zijn. Vandaar dat ze zo veelvuldig voorkomen, in iedere taal. Wetenschappers hebben gesteld dat een taal zonder eufemismen een gebrekkig communicatiemiddel zou zijn. ,,Sommige mensen hebben er nu eenmaal behoefte aan om een blinddoek te worden voorgehouden. Ze willen de harde waarheid liever niet onder ogen zien.’’
Het woordenboek van eufemismen en politiek correct taalgebruik is een geweldig boek om urenlang met stijgende verbazing in te bladeren. Op alfabetische volgorde gniffelen om preutsheid, uitvluchten en misleiding, een geweldige ervaring.
Woordenboek van eufemismen en politiek correct taalgebruik. Marc de Coster. Uitgeverij L.J. Veen/ Het Taalfonds, Amsterdam/Antwerpen, 36,26 euro.
Uit het Nieuwsblad, 05/01/2002:
Tienenaar Marc De Coster draait niet rond de pot. Woordenboek van 480 bladzijden vol eufemismen.
Spreken met fluwelen handschoenen, een honingzoete mond die een hoogoplopende ruzie verzacht tot een woordenwisseling. Of een bordeelhoudster een verhuurster van ramen noemen: het zijn allemaal rare omschrijvingen of eufemismen, verzameld door Tienenaar Marc De Coster in een lijvig woordenboek van 480 bladzijden en genoteerd uit een honderdtal werken, veelal kranten en tijdschriften.
Ambtenaar Marc De Coster houdt van fantasietjes en begint de toelichting van zijn woordenboek met een eufemisme: ,,Ik draai nooit rond de pot.'' Vanwaar eufemismen komen? ,,Ze hebben altijd bestaan,'' weet De Coster. ,,Al in de Oudheid gebruikte men verzachtende omschrijvingen voor mededeling van iets onaangenaams of onaantrekkelijks. Mensen houden van verschonende, verbloemende taal. Onze politici zijn bovendien sterk in het gebruik van onduidelijke taal. Zo maken ze van ,,bezuiniging'' een ,,beleidsombuiging''. Of dat taalkundig allemaal correct is, weet ik niet, maar anderzijds betekenen eufemismen een verrijking van onze taal en gaan ze tot onze cultuur behoren.''Eufemismen getuigen niet steeds van goede smaak. De Coster noemt ze in vele gevallen ,,de moordenaars van de waarheid''. ,,Ze zitten dikwijls vol schijnheiligheden. Eufemismen moeten taboes doorbreken. Ook in de religie en in zoveel andere aspecten van ons leven.'' In vakbondskringen klinken ,,werkonderbreking'' en ,,banen schrappen'' een stuk zachter dan ,,staking'' en ,,afdanken''. Sancties tegen Afghanistan? Vergeet het. De militairen namen ,,maatregelen'' -- zo stond in de krant -- om te verhullen dat ze hard van stapel liepen met het gooien van bommen. Bin Laden is niet helemaal een terrorist, maar zeker een opstandeling.
Schaamlap
Wat te zeggen van een kuisvrouw, die zich liever aangesproken hoort als interieurverzorgster of zelfs als ,,cleaning lady''? Meteen zit De Coster op het spoor van de zo gemakkelijke verengelsing van onze Nederlandse taal. Bij elk woord of uitdrukking vermeldt hij de oorsprong. Vanwaar komt de schaamlap? De wereld van de eufemismen -- en meteen ook De Costers boek -- staat bol van seksuele uitlatingen. Sommige woorden of uitdrukkingen erin vermeld, durven we ternauwernood resoluut zeggen, uit schaamte, maar de nacht met iemand doorbrengen of het spel spelen van de bloempjes en de bijtjes klinkt poëtisch genoeg om niemand ermee voor het hoofd te stoten. Indirecte woordspelingen overwinnen volgens De Coster vaak veel preutsheid. Hij benadrukt dat verkleinwoorden vaak een banaliserende betekenis geven aan een gebeuren. Denk maar aan het ,,slippertje'' en in het verpleegstersjargon het ,,misje''. ,,Van dat laatste krijgen de vrouwen slappe knieën'', besluit De Coster geheimzinnig.
Van hem verschenen eerder het Woordenboek van neologismen en dat van Populaire uitdrukkingen, clichés, kreten en slogans . De Coster werkt momenteel aan een verzameling van taalgebruiken door jongeren.
Woordenboek van eufemismen is uitgegeven door LJ Veen in Amsterdam. Het ligt in de boekhandel en kost 36,26 euro.